Geluidssterkte en toonhoogte
De snelheid waarmee drukvariaties elkaar opvolgen is een maat voor de toonhoogte. Bij langzame drukvariaties horen we een lage toon en naarmate de drukvariaties elkaar sneller opvolgen, wordt de toon hoger. Een maat voor deze toonhoogte is het aantal drukvariaties per seconde, oftewel de frequentie (f) en wordt uitgedrukt in hertz (Hz).
Een gezond (jong) menselijk gehoor kan geluiden waarnemen tussen 20 en 20.000 Hz (hoogst hoorbare frequentie neemt af met de leeftijd, bij volwassenen is dit nog circa 15.000 Hz). Niet alle frequenties zijn echter even goed hoorbaar. Het menselijke gehoor is minder gevoelig voor lagere tonen.
Zoals de frequentie de toonhoogte bepaalt, zo bepaalt de amplitude van de luchtdrukvariaties het geluidsniveau, oftewel de geluidssterkte.
De decibelschaal begint bij de gehoordrempel = 0 dB. De 'pijngrens' bedraagt 140 dB. Een normaal gesprek bedraagt ongeveer 60 dB.
Omdat de decibelschaal logaritmisch is, moeten geluidsdrukniveaus van verschillende geluidsbronnen op logaritmische wijze bij elkaar worden opgeteld om het resulterend geluidsdrukniveau te verkrijgen. De subjectieve beleving van de mens van geluidsdrukniveaus wijkt af van de objectieve metingen. Ook al betekent een verschil van 3dB een halvering of een verdubbeling van de geluidsdruk. De mens ervaart dit slechts als een ‘waarneembaar’ luidheidsverschil. Een verschil van 10 dB wordt pas ervaren als een halvering of verdubbeling van de geluidssterkte.
