Testmethoden
De nieuwe Europese classificatie is vastgelegd in EN 13501-1. In het Euro-brandklassensysteem zijn vier brandtesten aangewezen om tot deze classificatie te komen:- De kleine vlamtest (EN ISO 11925-2): hiermee wordt het begin van een brand gesimuleerd en wordt bepaald of een product gemakkelijk en snel ontbrandt. Meestal is dit de eerst uitgevoerde test en de reactie is bepalend of verdere proeven worden uitgevoerd.
- De SBI-test (Single Burning Item test, EN 13823): een test waar een compleet nieuw apparaat voor wordt gebruikt. Deze test bepaalt onder andere de hitteafgifte, de vlamuitbreiding, de afgifte van gevaarlijke stoffen en de rookontwikkeling.
- De “Calorische bom” (EN ISO 1716): een toestel waarmee de totale calorische waarde wordt bepaald. Dat is de mogelijke maximale verbrandingswaarde van het product ofwel de bijdrage die een product aan een brand kan leveren.
- De onbrandbaarheidsproef EN ISO 1182: een bestaande proef die is aangepast op Europees niveau voor het vaststellen van de onbrandbaarheid van een product.
Niet getest of voldoet niet aan klasse E, valt automatisch in de laagste klasse F.
Room corner test
Als basis van het nieuwe classificatiesysteem worden de resultaten gebruikt van een uitgebreid onderzoek naar het brandgedrag van producten in de Room Corner Test, ISO 9705 (RCT). Er is een aantal scenario’s vastgesteld. Die vormen het uitgangspunt bij het testen van het brandgedrag van bouwproducten in bepaalde situaties. Enkele voorbeelden zijn: het begin van een brand in een kamer, een ontwikkelde brand in een ruimte, en een volledige brand in een ruimte die ook uitbreidt naar andere ruimten.
Bekeken wordt hoe producten reageren op hitte en of ze bijdragen aan een snelle uitbreiding van de brand. Deze methode geeft een reëel beeld van wat er in een kamer gebeurt bij de ontwikkeling van een echte brand. De proef stopt op het moment van flash-over, ofwel vlamoverslag. Hoe eerder het product in de Room Corner Test zorgt voor vlamoverslag, des te sneller draagt dit product tijdens een brand bij aan de branduitbreiding en de vlamoverslag in een ruimte van een gebouw. Onbrandbare
producten geven geen aanleiding tot vlamoverslag. Zij dragen dus niet bij aan de branduitbreiding. Ook wordt het totaal aan brandbare componenten in het product bepaald. Zo krijgen bijvoorbeeld beton en steenwol klassering A1.
Producten met een zeer geringe brandbare component, bijvoorbeeld met een afwerking met een folie kunnen vallen in klasse A2, terwijl producten die moeilijk brandbaar zijn in klasse B vallen. De tweede categorie, waarbij wel sprake is van flash-over, valt in klasse C, D, E of F.
Vlamoverslag
Het begrip flash-over krijgt een bepalende rol in het classificatiesysteem. Dit fenomeen doet zich voor als brandbare gassen, afkomstig van producten in de ruimte, zich verzamelen aan het plafond en plotseling ontbranden. De vuurbal die dan ontstaat, heeft zeer hoge temperaturen en is berucht bij brandweerlieden.
De zeven klassen vallen globaal uiteen in twee categorieën van producten, waarbij flash-over een belangrijke rol speelt. De eerste categorie die in klasse A1, A2 of B valt, mag geen flash-over vertonen in de Room Corner Test.
Onbrandbaarheid
Voor de bepaling van de onbrandbaarheid wordt een monster van het product in een oven met een begintemperatuur van 750° C geplaatst. Daarbij mag het verschil tussen begin- en eindtemperatuur niet meer dan 30° C bedragen en er mag niet meer dan 50% gewichtsverlies optreden. Bovendien mag de totale calorische waarde niet groter zijn dan 2,0 MJ/kg. Het product dat hieraan voldoet, is onbrandbaar en wordt A1 geclassificeerd.
