This site uses javascript, some functionality and content is not working if javascript is disabled

Brand genormeerd

Hoewel iedere brand anders is, is de ontwikkeling van een brand goed te beschrijven. Het aantal mogelijke parameters dat van invloed kan zijn op een brand is echter heel groot. Allen het weer kan al een zeer grote invloed hebben op de wijze van  branduitbreiding.
Toch is het nuttig om van bepaalde scenario’s uit te gaan voor bijvoorbeeld het onderling kunnen vergelijken van materialen of constructies. De meest bekende hiervan is de standaard brandkromme, welke onder meer is vastgelegd in NEN 6069 en EN 1363-1. Daarbij wordt uitgegaan van een volledig ontwikkelde brand, dus na de vlamoverslag, zoals blijkt uit de figuur hieronder.


Figuur: relatie tussen een natuurlijke brand en de standaard brandkromme (Bron: Ten Hagen & Stam, v. Dam)

 

De standaard brandkromme is gebaseerd op de verbranding van cellulose houdende materialen, zoals hout, en wordt daarom ook wel met cellulosebrand aangeduid. De kromme kan wiskundig worden beschreven met de formule:

θ 345 log (8t + 1) 

waarin:
θ


=
 

de temperatuur in ºC
de tijd in minuten

Deze standaardkromme is het uitgangspunt van de regelgeving voor de gebouwde omgeving. Voor een brand buiten een gebouw wordt er van uitgegaan dat er veel koude buitenlucht ingemengd wordt en veel hitte verdwijnt. Hierdoor zou de temperatuur minder hoog oplopen. Daarom kan in dergelijke situaties gebruik worden gemaakt van de zogenaamde afgeknotte brandcurve. Daarbij wordt een temperatuur van 659 oC als maximum aangehouden. Dat is de temperatuur waarbij aluminium nog als gevelmateriaal kan worden toegepast. Dit wil niet zeggen dat bij een brand van pallets tegen de gevel de temperatuur niet veel hoger kan worden.

Figuur: Diverse brandkrommen onderling vergeleken

 

Naast deze twee curves voor de gebouwde omgeving worden er nog twee genormaliseerde beschrijvingen gebruikt voor een brand met een meer extreem verloop. Dit zijn de hydrocarbon-curve en de calamiteitencurve. De hydrocarbon-curve simuleert een olie- of gasbrand en wordt bijvoorbeeld toegepast in de petrochemische industrie of voor booreilanden. Er wordt uitgegaan van een snelle opbouw tot maximaal 1150 oC. De calamiteitencurve wordt ook wel tunnelcurve of RWS-kromme genoemd, omdat Rijkswaterstaat deze gebruikt om bijvoorbeeld de bekleding van verkeerstunnels te
beproeven. Bij een dergelijke brand wordt er vanuit gegaan dat de temperatuur relatief snel kan oplopen tot de extreme waarde van 1350 oC en daarna stabiliseert op 1150 oC. In onderstaande figuur worden diverse brandkrommen onderling vergeleken. In feite heeft iedere brand zijn eigen curve en is dus maatwerk!

 
Rockwool Brandveilige isolatie