Warmteovergangsweerstanden
Bij het passeren van een constructie ondervindt de warmte extra weerstand door een dun laagje nagenoeg stilstaande lucht dat grenst aan de binnenzijde van de constructie.
Dit wordt de overgangsweerstand genoemd. Ook aan de buitenzijde is er sprake van een overgangsweerstand. Voor deze warmteovergangsweerstanden worden genormaliseerde waarden aangehouden.
| Constructie-onderdeel | Rsi (m2·K)/W | Rse (m2·K)/W |
| Vloeren bij een naar boven gerichte warmtestroom | 0,10 | 0,10 |
| Vloeren boven buitenlucht | 0,17 | 0,04 |
| Vloeren boven onverwarmde ruimte of kruipruimte | 0,17 | 0,17 |
| Uitwendige scheidingsconstructies boven verwarmde ruimte, waarvan de grootste hellingshoek met de horizontaal kleiner of gelijk aan 75º | 0,10 | 0,04 |
| Overige scheidingsconstructies grenzend aan buitenlucht of sterk geventileerde ruimte | 0,13 | 0,04 |
| Overige scheidingsconstructies | 0,13 | 0,13 |
Rsi = warmteovergansweerstand aan de zijde van de ingaande warmtestroom
Rse = warmteovergansweerstand aan de zijde van de uitgaande warmtestroom
Door de overgangsweerstanden bij de Rc op te tellen ontstaat de totale warmteweerstand (Rtotaal). De reciproque waarde van de totale warmteweerstand is de warmtedoorgangscoëfficiënt aangeduid met de letter U (conform NEN 1068).
![]()
Opmerking:
In de Rc-berekening, volgens het Bouwbesluit (NEN 1068), worden de overgangsweerstanden niet meegenomen in de berekening.
